Wanneer mensen denken dat een robot gevoelens ervaart en emoties heeft, verandert de interactie met die robot. Dat heeft gevolgen voor het gebruik van het apparaat.

Wanneer zijn we bereid waardevolle spullen te delen met een robot? Zouden we een robot redden van een botsing, en zouden we de robot vertrouwen als hij ons moet redden? Moet die robot daarvoor op een mens lijken, of zit het hem meer in het gedrag en getoonde emoties? Dat laatste, weet sociaal psycholoog en gedragswetenschapper Sari Nijssen.

Nijssen onderzocht wanneer volwassenen en kinderen geneigd zijn een robot menselijke kenmerken toe te schrijven: antropomorfisme. Bovendien onderzocht zij welke gevolgen dit heeft voor ons gedrag ten opzichte van die robot. Op 15 november promoveerde zij aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Sinds kort werkt ze bij als sociaal psycholoog aan de Universiteit van Wenen. 

Menselijke kenmerken

Robots hebben steeds meer taken in onze samenleving. Tot nu toe is er vooral veel aandacht voor de technologische kant van de robots. De sociale interactie en impact zijn nog behoorlijk onderbelicht. Welke rol hebben gedachten en gevoelens van de gebruiker in de interactie tussen mens en robot? “We dichten robots verrassend veel menselijke kenmerken toe, afhankelijk van hoe de robots op ons overkomen”, vertelt Nijssen, die de robotica vanuit de psychologie bekeek. “Zo zijn er mensen die hun robotstofzuiger een naam geven en er vriendelijk tegen praten. Het uiterlijk van een robot is ondergeschikt aan de gevoelens van de gebruiker. Wanneer we denken dat een robot gevoelens ervaart, willen we deze beschermen. We delen er liever spullen mee en vertrouwen de robot meer bij het nemen van moeilijke beslissingen.” 

Uiterlijk ondergeschikt

Nijssen legde de deelnemers van haar onderzoek verschillende morele dilemma’s voor. Ze keek wat de factoren zijn die ertoe leiden dat mensen slimme apparatuur en kunstmatige intelligentie wel of juist niet vertrouwen. “Daaruit blijkt dat het voor volwassenen, in vergelijking met kinderen, belangrijker is dat een robot er menselijk uit ziet”, legt Nijssen uit. “Kinderen waren tijdens experimenten eerder bereid hun stickers te delen als ze dachten dat een robot menselijk gedrag vertoonde. Ongeacht het uiterlijk van de robot.”

Context

Hoe mensen robots zien en welke antropomorfische kenmerken we een robot toedichten, heeft gevolgen voor de inzet van robots.  Nijssen: “Je kunt je voorstellen dat het niet handig is als je medelijden krijgt met een stofzuigerrobot omdat hij vieze ruimtes moet schoonmaken en overal tegenaan botst. Het toekennen van menselijke eigenschappen, ofwel antropomorfisme, kan zo de functie die een robot heeft in de weg zitten.”  Daarnaast speelde de context een belangrijke rol. Volwassenen bleken bijvoorbeeld eerder geneigd zijn een robot met een menselijk uiterlijk te redden. Maar als het eigen leven gered moest worden zorgde dat juist voor wantrouwen.

Sociale impact

Nijssen: “We kunnen bij de inzet van robots beter kijken naar waar je ze voor gebruikt. In een operatiekamer of fabriek moet een robot vooral functioneel en niet menselijk zijn. Op een school of verzorgingshuis is die sociale, menselijke kant juist wel belangrijk. Mijn onderzoek laat zien dat het belangrijk is goed na te denken over hoe je een robot inzet en wat de sociale impact daarvan is.” 

Bron: innovationorigins